Welke malloot fietst hier midden in de nacht?

Sinds augustus 2018 schrijf ik voor elk nummer van Wielrenblad een column. In Wielrenblad #5 van 2018 schreef ik over een Oostenrijkse Ultrafietser die ik in Kühtai bijna letterlijk tegen het lijf liep. Ultrafietsen is een bijzondere, maar vaak onbekende discipline.

Als we omhoog rijden van Innsbruck naar Kühtai, duikt er uit het niets een renner met verlichting op. Daarachter een auto. Ik schrik en moet bijsturen, het gaat maar net goed. “Welke malloot gaat hier nu fietsen?”, vraagt mijn vriendin zich verbolgen af. Het is 1.30 uur in de nacht en we zijn op weg naar onze fietsvakantie (of trainingskamp) in de Oostenrijkse bergen.

Als we twee dagen op de berg in Kühtai zitten, komt er bergop een vrolijke Oostenrijker naast me fietsen. Hij praat veel – teveel – voor het moment. Ik verteer het fietsen op hoogte (ruim 2.000 meter) slecht en zwoeg naar boven op een klim die ruim zeventien kilometer lang is. Eenmaal boven ben ik kapot. De Oostenrijker is eerder boven, en komt volkomen fris weer naast me staan. Hij praat nog steeds. Het gaat intussen over een zekere Wagner, de ultrafietser die non-stop tien keer de Ötztaler Radmarathon fietst. Dus dat was die malloot in de nacht.

In Nederland (en veel andere landen) is ultrafietsen een onbekende discipline. Vaak past die onbekendheid bij de mensen die de sport beoefenen. Ze staan niet graag in het middelpunt van de belangstelling, daar hebben ze de tijd niet voor. Ze trappen, fietsen, slapen en eten. Meer niet.

In dit gebied is de Ötztaler Radmarathon een begrip. Als je die tocht tot een goed einde hebt gebracht, mag je meepraten. 224 kilometer met daarin 5.500 hoogtemeters. Dat is qua profiel zwaarder dan de koninginnenrit in de Tour de France van dit jaar. En dat doet Wagner tien keer achter elkaar. Non-stop. Af en toe slaapt hij, de rest van de tijd fietst hij. 2.240 kilometer achter elkaar, 55.000 hoogtemeters verwerkend, verdeeld over veertig Alpencols. Na precies een week (zeven dagen en vijf minuten) komt Wagner binnen. Op Twitter vind ik de foto die hoort bij zijn finish. Hij werpt zijn fiets in de lucht, zoals ultrafietsers dat doen. Om hem heen een paar fietsmaten. Het is niet druk, want de ultrafietser heeft doorgaans niet veel tijd om reclame te maken.

Het klinkt bizar om 2.240 kilometer achter elkaar te fietsen in een week, met zoveel bergen onderweg. Ik zou er zelf nu niet aan moeten denken, één keer die verschrikkelijke klim van zo’n zeventien kilometer vond ik al een opgave. Het is zo bizar dat maar weinig mensen zich bedenken zoiets te gaan doen. Juist dat maakt een ultrafietser uniek, dat er geen gek is die zich bedenkt om een week achter elkaar te gaan fietsen. Denk aan Maarten van der Weijden. Er had maar een het knotsgekke idee om de Elfstedentocht te zwemmen. Een ander voorbeeld is de RAAM, de Race Across America – het officieuze wereldkampioenschap voor ultrafietsers. Ieder jaar proberen zo’n vijftig renners zo snel mogelijk solo (als een tijdrit, alleen dus) van west naar oost te fietsen in de Verenigde staten (bijna 5.000 kilometer).

Onmenselijk, hoor je dan vaak. Maar een mensenlichaam kan meer aan dan je denkt. De magie van ultrafietsen is dat het lichaam je verrast tijdens dit soort ondernemingen. Ik maakte het ooit mee tijdens Parijs-Brest-Parijs, (slechts) 1.250 kilometer non-stop. Natuurlijk moet je je goed voorbereiden en veel trainen, maar de crux is: je moet zo gek zijn om op het idee komen, pas dan kun je (en zul je) verrast worden door je eigen lichaam.

Foto: Hassl

Publicatie: Wielrenblad

Geschreven door: