Het kan altijd gekker

Sinds augustus 2018 schrijf ik voor elk nummer van Wielrenblad een column. In Wielrenblad #1 van 2019 schreef ik over Parijs-Brest-Parijs, een fietstocht van 1.250 kilometer non-stop. In 2011 deed ik mee aan het oudste wielerevenement ter wereld. Een verslag.

Het is heet als ik op de atletiekbaan sta. Dampend heet. Om me heen staan honderden lotgenoten. Van een afstandje zou het er als een gewone toertocht uit kunnen zien. Langzaam schuiven we op naar de startstreep. Er wordt afgeteld naar 16.00 uur en dan mogen we. Eindelijk.

De hitte valt me slecht. Na een stevig eerste uur van boven de veertig kilometer per uur begin ik me slechter te voelen. Je kent het wel; trillen op je benen, gevoelloze tenen en vingers en vooral een totaal gebrek aan kracht. Ik slurp al het mogelijke water naar binnen en besluit na twee uur te gaan plassen. Pas dan voel ik hoe de wereld om me heen danst. IJlend probeer ik een enigszins rechte straal te produceren en op de fiets spaar ik zoveel mogelijk energie. Nog 1.180 kilometer te gaan. Parijs-Bres-Parijs had niet slechter kunnen beginnen.

Parijs-Brest-Parijs staat bekend als het oudste wielerevenement ter wereld. De tocht stamt uit de tijd dat een koers korter dan 500 kilometer niet bestond, uit de tijd dat Maurice Garin – de eerste winnaar van de Tour de France – aan de wielermacht was. In de loop der jaren zijn alle koersen veranderd, maar niet Parijs-Brest-Parijs. Deze tocht is nog voor de gekken die kicken op zo lang mogelijk – de Elfstedentocht onder de Franse wielerklassiekers.

De gekken speren me voorbij. Een man met één been en zonder prothese (echt waar!), een man met een fixed gear-fiets, oude mensen. Voordat ik bij de eerste controlepost ben, spreek ik een Belg. “Je ziet er niet best uit. ’t Is nog lang hè!” En hij fietst verder.

Ondertussen probeer ik mijn ijlen van de hitte te verslaan en me te verwonderen over deze mensen. Mijn eigen lijden wordt er wat minder door. Het kan altijd gekker, begin ik te denken. Al worden benen niet echt beter van dat soort gedachten. Bij de controlepost staat mijn vader. Hij weet dat ik er nu niets aan heb om medelijden te krijgen. “Waar heb je last van? Extra water dus.” En na twintig minuten zit ik weer op de fiets. Het wordt nacht en kouder. Ik vind mijn benen terug, het voelt als een bevrijding. De uren vliegen voorbij, net als de kilometers.

Het wordt dag en weer nacht. Na een powernap van een paar uur begint het laatste deel. Nog maar 500 kilometer. Nog 400. En dan nog 300. De dag is alweer nacht geworden en de laatste kilometers schieten voorbij. Ik kom een Ier tegen die me nodig heeft om binnen de zestig uur in Parijs te zijn. Dat is ridicuul, maar zijn gezelschap is prettig. Op iedere heuvel schreeuwen mijn benen om rust. Bij een van de laatste posten verlies ik de Ier uit het oog en komt een Noor in beeld. Hij zegt steeds: “I have to slow down, my back hurts”. Maar als hij op kop komt rijdt hij – wind mee – met 35 kilometer per uur richting de lichtbol die Parijs moet zijn. De teller geeft al bijna 1.200 kilometer aan.

De laatste kilometers fiets ik alleen. Ik voel me geweldig. Vermoeidheid lijkt niet te bestaan en ik haal mensen in alsof ze stilstaan. Maar plots is het donkerder dan eerst. Al zeker vijf kilometer was er geen afslag meer, geen bordje links of rechts. Verkeerd gereden, en dus terug. Het lood zinkt weer in mijn benen. Ik haal ingehaalde renners opnieuw in. Ik zie een man die op tien kilometer voor de finish bijna van zijn fiets valt.

Na 61 uur en 8 minuten ben ik er. Bij de finish is mijn gevoel onwerkelijk. Van opwinding is geen sprake. Ik kijk daas voor me uit als ik een stoel heb gevonden. Aan de wand zie ik een advertentie voor London-Edinburgh-London, 1.600 kilometer. Ik denk aan de man met één been en aan de man die zeker zeventig was. Aan de Noor en aan die gek op een fixed-gear. Het kan altijd gekker.

Geschreven door: