Gezellig samen fietsen

Sinds augustus 2018 schrijf ik voor Wielrenblad een column. De eerste gaat over samen fietsen als liefdeskoppel. In mijn geval (een matig getrainde amateur), moet ik het keer op keer afleggen ten opzichte van mijn vriendin (een belachelijk sterke professional). Maar meer stellen hoor ik over de uitdaging die gezellig samen fietsen kan zijn.

Als we vijf kilometer op streek zijn, weet ik al precies wat voor dag het gaat worden. Afzien. Ellen zegt niet veel en haar wiel rolt continu twee centimeter voor dat van mij uit. Bovendien heb ik een biertje te veel gedronken gisteren. Er staat op haar schema vier uur trainen, ik kan dus rekening houden met 4,5 uur snot voor de ogen om bij te blijven. Van die rustige duurrit-belofte geloof ik ook al helemaal niets meer.

Mijn vriendin is niet zomaar een fietsster. Ze is renster, prof dus. En, tot overmaat van ramp, ook nog eens een van de besten op deze aardkloot. Sinds ik een relatie met haar heb valt me een probleem op dat meer stellen hebben: beide gek op de fiets, maar een te groot niveauverschil om er samen van te kunnen genieten. Met je lief fietsen is een kwestie van haat en liefde, een kwestie van frustratie (inslikken) en de mooie momenten koesteren.

De liefde komt op de stukken dat het makkelijk gaat. Je kijkt elkaar even aan, geniet van de frisse wind en de groene weilanden om je heen. Zo nu en dan roep je iets als: ‘Mooi he’. Zolang er geen foto gemaakt wordt van natuurschoon (een persoonlijke frustratie) is het leven goed. Dat is liefde die je op de fiets moet koesteren. Er komt namelijk een moment dat een van tweeën het wat moeilijker krijgt met het tempo.

Dat wordt vaak duidelijk na een voorzichtige opmerking, bijvoorbeeld: “Toch wel een beetje last van mijn knie”. Of: “Zullen we iets rustiger?”

Wat de ander niet weet is dat de frustratie dan al eventjes is opgebouwd. Vriendlief (of in mijn geval vriendinlief) geniet ondertussen nog steeds van de open weilanden en stampt stevig door om toch boven een bepaald gemiddelde uit te komen. Hij (in mijn geval zij) heeft niet door dat er in het hoofd van zijn vriendin (in mijn geval ik) een oorlog gaande is tussen pijn, hijgen, vervloeking en doorzetten.
Na die eerste opmerking verandert er vaak weinig aan het tempo. De frustratie blijft zich opbouwen. Het draait niet lekker, er is te weinig tijd om wat te eten en de benen voelen steeds pijnlijker. Een uitbarsting ligt op de loer. Vaak roep ik zelf iets als: “Ik weet niet wat jij voor ogen hebt, maar voor mij is er zo geen kloten aan.” Nog meer frustratie is het gevolg, of zelfs ruzie.

Nu ik acht maanden een relatie heb met Ellen en ik wat ervaring krijg in het fietsen met iemand die altijd sterker zal zijn, kom ik er voorzichtig achter hoe ik mezelf die frustratie kan besparen. Ik heb mijn trots intussen al een tijdje aan de kant gezet, en kies fluitend voor in het wiel fietsen als ik na een paar kilometer al merk dat het zwaar gaat worden. Zelfs als ik me goed voel, doe ik dat weleens. Om haar later in de rit nog te kunnen verrassen. Dat is pas echt genieten, maar lukt zelden.

Belangrijker: ik probeer mijn frustratie in te slikken. Ik weet dat Ellen doorstampt, dat is nou eenmaal haar beroep. Is je lief sterker? Probeer het voorzichtig aan te geven. Ben jij sterker dan je lief? Probeer de signalen op te vangen en pas je aan. Fietsen is te mooi om niet samen te doen.

Na net geen 4,5 uur fietsen (dat viel dus mee) rollen we onze straat weer in. Vanaf kilometer tien koos ik haar wiel, om af en toe heel soms even naast haar te komen en te zeggen dat het genieten is. “Mooi he”, roept ze als we bijna thuis zijn. Ik knik, en ik meen het, maar stiekem ben ik vanbinnen ook blij dat ik thuis ben.

Publicatie: Wielrenblad

Geschreven door: